Home > Nieuws > Oudertraining effectief bij kleuters met gedragsproblemen

Gedragstherapeutische oudertraining is een goede eerste stap in de behandeling van jonge kinderen met gedragsproblemen. Dat concludeert Lianne van der Veen-Mulders in haar proefschrift, waarop zij 13 juni promoveert aan de RUG. Het probleemgedrag van de kinderen en de opvoedingsvaardigheden van moeders verbeteren door deze training. Bij ongeveer de helft van de kinderen blijven er ondanks verbetering, dusdanige gedragsproblemen aanwezig dat vervolgbehandeling wenselijk kan zijn.

Druk, impulsief en opstandig gedrag komt veel voor bij jonge kinderen en hoort de peuter- en kleuterfase. De meeste kinderen worden vanzelf rustiger en gedragen zich beter als ze ouder worden. Bij twee tot vijf procent van de peuters en kleuters blijft het gedrag thuis en buitenshuis zo problematisch, dat het hun ontwikkeling belemmert en dat gesproken kan worden van kenmerken van een oppositionele-opstandige gedragsstoornis en/of ADHD. Deze kinderen hebben vaak interactieproblemen met hun ouders, krijgen steeds ruzie met andere kinderen of worden buitengesloten, en hun ouders voelen zich regelmatig onmachtig.

Van der Veen onderzocht drieëntachtig kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 6 jaar met symptomen van ADHD en gedragsproblemen. Zij onderzocht het effect van de oudertraining die bij Accare wordt aangeboden voor deze kinderen. Uit dat onderzoek blijkt dat gedragsproblemen duidelijk verbeterden. Ook verbeterden de opvoedingsvaardigheden van de moeders en hadden beide ouders meer het gevoel een bekwame ouder te zijn. Wanneer ouders meer gecontroleerd en positief gingen opvoeden was de kans groter dat de gedragsproblemen van het kind verbeterden. Het gedrag van een deel van de kinderen bleef na oudertraining echter zo problematisch dat een vervolgbehandeling wenselijk was. Daarvoor vergeleek van der Veen het effect van ouder-kind interactie therapie met het effect van medicamenteuze therapie. Beiden bleken effectief, maar medicijnen lijken het meeste effect te hebben op het gedrag van het kind. Omdat dit vervolgonderzoek maar bij een kleine groep van 35 kinderen gedaan is, is grootschaliger onderzoek nodig om hierover met zekerheid iets te kunnen zeggen. De uitkomsten zijn nu nog niet bruikbaar voor de klinische praktijk.

Bron: Rijksuniversiteit Groningen

Lees hier het proefschrift of de Nederlandse samenvatting